Natuurbranden funest voor dieren en bodemleven: 'Alles wordt vernietigd'
In dit artikel:
De recente grote bosbranden in Brabant hebben zware gevolgen voor dieren en het bodemleven in de getroffen natuurgebieden. Boswachter Frans Kapteijns wijst erop dat vooral tijdens het broedseizoen veel soorten de branden niet overleven: kleine amfibieën en reptielen (kikkers, salamanders, hagedissen) kunnen niet tijdig ontsnappen, grondbroedende vogels en hun eieren blijven achter, en ook ondergrondse dieren sterven door rook en verschroeide bodem. Grote zoogdieren zoals reeën, hazen en konijnen weten vaak te vluchten, maar raken wel in paniek.
De schade beperkt zich niet tot de zichtbare verbranding: bij brand komt veel stikstof vrij die neerdaalt op de grond en het ecosysteem verandert. Een veelvoorkomend gevolg is dat Pijpenstrootje snel domineert, waardoor heidestruiken teruggedrongen worden en de voedselvoorziening voor specialistische soorten zoals heidevlinders, graafwespen en zandbijen vermindert. Daardoor kunnen heidegebieden overgaan in graslanden die veel minder biodiversiteit ondersteunen.
Kapteijns weerlegt de opvatting dat natuurbranden per definitie goed zouden zijn voor de natuur: historische branden als beheermiddel en natuurlijke branden in zeer biodiverse streken werken anders dan de recente branden op de Brabantse zandgronden, waar klimaatverandering en verdroging de schade vergroten. Het herstel van zulke plekken kan tientallen jaren duren en is onzeker zolang droogte en veranderende klimatologische omstandigheden aanhouden.
Dit betekent dat de gevolgen van de branden niet alleen onmiddellijk zijn, maar langdurige samenstelling en functies van de ecosystemen kunnen veranderen. Herstel kan actieve natuurbeheermaatregelen vergen, en preventie en aanpassing aan een droger en warmer klimaat worden steeds belangrijker om herhaling en blijvende schade te beperken.