Ad zag dit bijzondere diertje, Frans legt uit waarom dat uniek is
In dit artikel:
Boswachter Frans Kapteijns beantwoordt in zijn wekelijkse Stuifmail natuurvragen van lezers. Deze aflevering belicht meerdere waarnemingen: een zeldzaam insect op straat, twee opvallende nachtvlinders, een goed gecamoufleerde spin, en een hagedis die eigenlijk niet in Noord-Brabant thuishoort. De tweede helft van de Stuifmail verschijnt zondagochtend; bovendien loopt een quiz over het aantal inheemse eikensoorten (antwoord zondag tussen 11:00 en 12:00). De winnaar krijgt eer en een kwartetspel over nationale parken, geschonken door het Van Gogh Nationaal Park.
Veenmol op straat
Ad Kieboom trof op straat een veenmol aan — een dier dat normaal ondergronds leeft en daardoor daar niet kan overleven. De veenmol combineert kenmerken van krekels en mollen: krachtige, graafachtige voorpoten met opvallende klauwen waarmee hij razendsnel tunnelt. Mannetjes produceren in mei en juni zachte, snorrende roepgeluiden bij de ingang van hun gangen om vrouwtjes aan te trekken. Ondanks hun grotendeels verborgen levenswijze kunnen veenmollen vliegen (mannetjes tot ca. 45 mm, vrouwtjes tot zo’n 70 mm) en zijn ze ook goede zwemmers.
Esperiamot op de schuurdeur
Op een schuurdeur werd een klein, langwerpig nachtvlindertje gesignaleerd: de esperiamot, vermoedelijk een vrouwtje. Hoewel het een nachtvlinder is, is deze soort dagactief en valt onder de groep sikkelmotten. Volwassen exemplaren vliegen vanaf mei tot juni en houden zich vooral op in de buurt van rottend hout en struiken; de rupsen leven van dood loofhout en overwinteren daarin. In Nederland werd de soort voor het eerst in 1971 gevonden op Goeree-Overflakkee en sindsdien breidde hij zich uit, ook naar provincies buiten de oorspronkelijke vindplaatsen.
Komkommerspin in de tuin
Steven Verloo fotografeerde in Oisterwijk een klein, gifgroen spinnetje: de komkommerspin. Deze wielwebspin komt relatief veel voor, zeker op zandgronden zoals in delen van Brabant. Vrouwtjes worden tot zo’n 6 mm, mannetjes ongeveer 4 mm. Ze bouwen horizontale webjes (ongeveer 10 cm diameter) in bomen en struiken tot circa drie meter hoog, waar ze met hun groene kleur vrijwel onzichtbaar op bladeren zitten te wachten op prooien.
Muurhagedis buiten het normale gebied
Gerry Vorstenbosch zag in Eerde (bij Veghel) een hagedis die volgens Kapteijns op een muurhagedis lijkt — een soort die officieel alleen in Zuid-Limburg thuishoort. Op internet bleken er echter meldingen van muurhagedissen bij Dinther (oude kerktuinmuur), waardoor exemplaren mogelijk naar tuinen in de omgeving kunnen afdalen. Kapteijns waarschuwt dat dit waarschijnlijk te maken heeft met uitgezette dieren; het uitzetten of verplaatsen van soortvreemde dieren kan schade toebrengen aan lokale ecosystemen en wordt steeds vaker geconstateerd.
Geel beertje op de wand
Hannie Schoenmakers vond een fraai nachtvlindertje dat Kapteijns identificeert als het geel beertje. Waarschijnlijk was het net uit het popstadium gekropen, wat de nog niet helemaal uitgespreide vleugels verklaart. Het geel beertje vliegt van eind april tot juni (spanwijdte 27–30 mm). De rupsen leven van op de bodem groeiende korstmossen en zijn zichtbaar van juni tot september; de soort overwintert als pop in een cocon tussen die korstmossen.
Kleine context: Waarnemingen zoals deze leveren niet alleen leuke weetjes op maar helpen ook bij het volgen van verspreidingsveranderingen van soorten (door klimaat, habitatwijzigingen of menselijke verplaatsing). Kapteijns moedigt nieuwe inzendingen en observaties aan voor vervolgbesprekingen.